Honderd
Morgen word ik honderd, maar ik kijk er niet naar uit. Het leven zonder man, zonder dochter, zonder benen is zwaar. Ik prevel mijn dagelijks verzoek, gevoed door algehele levensmoeheid, verlangen naar hereniging met Jacob en Elisabeth en verdriet om de gebeden die niet gehoord worden. De kleinkinderen zeggen vaak: ‘Oma, er kan altijd euthanasie geregeld worden.’ Het leven is echter niet te regelen. God beslist wanneer het mijn tijd is, maar helaas maakt Hij geen haast met me.
Een schelle toon doet mij opschrikken. Het is middernacht. Ik zie rook en vlammen om me heen. Is God mij dan toch genadig? Vreemde stemmen klinken op de gang.
‘Hier liggen ook bejaarden.’
‘Het is gevaarlijk.’
‘Ik ga het proberen.’
Dan ebben de geluiden weg. Een doodse stilte daalt over de zaal neer. Wordt mij de eeuwige rust gegund? Een licht van een zo immense grootheid is om me heen. Een vertrouwde stem spreekt mij toe. Als ik mijn ogen opsla, zie ik mijn kleinzoon.
‘Oma, niet schrikken. U ligt in het ziekenhuis. Er was brand vannacht. U bent één van de weinige overlevenden.’
Hij buigt zich naar me toe.
‘Gefeliciteerd met uw verjaardag. Nog vele jaren.’
Hollands Diep, maart/april2008, p. 111