|
‘Een wondertje', column in Dagblad De Pers, 15 augustus 2008, p. 12
Een wondertje
Ik was blij dat ik even kon zitten. Uithijgen van het slenteren. Bijkomen van de tot dan toe genoten attracties. Eindelijk een bank onder mijn kont. Eindelijk rust voor de voetjes.
Voor mijn zoontje van anderhalf gold het omgekeerde. Hij loopt nog niet en had heel de tijd gezeten. In de wandelwagen langs Roodkapje, Langnek en Hans en Grietje of op schoot van zijn vader in het Carnavalfestival, het carrousel, de boot in Fata Morgana en de monorail in het Lavenbos: zijn eerste Eftelingervaring was tot nu toe een zittende geweest.
Enthousiast kroop hij naar de grote bak vol legostenen in de tentoonstelling Legoland in het Eftelingpark. Hij stapelde blokken, rommelde met stenen, bewoog autootjes en treintjes heen en weer en genoot. Eindelijk verlost van het tuigje uit de wandelwagen. Eindelijk kruipruimte.
Honderden mensen zag ik aan me voorbijgaan. Ze keken allemaal met belangstelling naar de mooie taferelen die van lego gemaakt waren, terwijl hun kinderen speelden met het lego.
Na een uur kwam er een leuk jongetje met een klein brilletje aan de hand van zijn moeder de ruimte ingelopen.
‘Hé, lego!’ riep het ventje enthousiast, terwijl hij zich losrukte uit moeders handgreep en in de speelbak wilde gaan zitten.
‘Hier komen we niet voor naar de Efteling,’ zei zijn moeder. Ze strekte haar hand en sleurde hem weg uit de speelbak.
Ik vroeg me af waar die mevrouw dan wel voor kwam. Kennelijk niet voor het plezier van haar zoontje.
Wij hebben bijna twee uur gezeten in Legoland. Moegespeeld (mijn zoontje) en uitgerust (wij) vervolgden we onze tocht door het park. Het zou niet lang duren voor het middagslaapje bij mijn zoontje zijn intrede deed. Aan het eind van de middag keerden we nog één keer naar Legoland terug. In de speelbak zat het ventje van ’s morgens temidden van de legoblokken in de speelbak.
Een wonder was geschied.
‘Ik wil naar huis,’ zeurde het mannetje doodmoe.
‘Je wilde toch zo graag naar Legoland. Nu zul je er spelen ook.’
Helaas komen sommige wonderen te laat.

|