teksten © Marlies Verhelst, tenzij anders vermeld

 

 

 

 

 

Kinderboeken

 

 

 

C

  

De gescheurde speelkaart

 

Jacobus woont met zijn ouders, zusje en broertje aan de Amsterdamse Herengracht. Op een dag betrapt hijeen vrouw met een mandje op hun bordes. De vrouw schrikt en rent weg. Het mandje laat ze achter. Na één blik in de mand weet Jacobus wat hij moet doen: de vrouw achtervolgen! Dat doet hij, maar zijn actie brengt hem in een onbekende, gevaarlijke buurt...

 

 

 

De gescheurde speelkaart speelt in Amsterdam in 1638. Het is een leesboek uit de serie Terugblikken. De serie bestaat uit 50 leesboeken die elk gaan over één van de vijftig vensters van de geschiedeniscanon van Nederland. Elk boek geeft een goed beeld van de inhoud van het betreffende venster. In dit boek: tijdvak 6, venster 15: De grachtengordel.

 

 

Hoofdstuk 7 De koets

 

Voor hij het weet, is hij bij Het Nieuwe Werck. Hij duikt één van de steegjes in waar hij de eerste keer ook gelopen heeft. Stel je voor, straks raakt hij nog bekend met de straten en stegen in de armenwijk. 

Even verderop klinkt een luid geschreeuw. Twee mannen gaan met elkaar op de vuist. Jacobus draait zich onmiddellijk om en maakt dat hij wegkomt. Hij schiet een ander steegje. Met een vechtpartij wil hij niets te maken hebben. Voor je het weet, word je bij zo’n gevecht betrokken.

Dan ziet hij plots twee mannen opduiken. Zodra ze hem in de gaten krijgen, komen ze recht op hem af. Hun haren zijn pikzwart, net als hun kleren. Hun ogen kijken sluw en dreigend, als een roofdier dat loert naar zijn prooi. De ene man houdt een lange lat voor zich alsof hij klaar is om een gevecht te beginnen. Zonder aarzeling draait Jacobus zich om. Hij wil het op een lopen zetten, maar van de andere kant komt ook een man op hem af. Zijn kleren zijn gerafeld en zijn haar hangt in vette slierten om zijn hoofd. Jacobus zit in de val. Misschien kan hij langs de man heen een steeg in glippen. Hij rent, maar als hij vlak bij de man is, maakt die zich breed.

‘Waar ga je naartoe, ventje?’

Als de wiedeweerga verandert hij weer van richting, met als gevolg dat hij rechtstreeks in de armen loopt van de man met de lat. Die pakt hem ruw beet. Jacobus wil zijn arm terugtrekken, maar de man heeft hem in een ijzeren greep. Hij schopt tegen de schenen van de man. Het heeft geen zin. Hoe harder hij schopt, hoe steviger hij wordt vastgeklemd.

‘Tuttut. Rustig aan,’ zegt de man. ‘Als je even meewerkt, zijn we zo klaar.’

Maar Jacobus begint opnieuw wild om zich heen te schoppen. Hij krijgt een klap in zijn gezicht en hij voelt de adem van de man in zijn nek. Hij rilt bij de stank, een zurige geur die hem bijna doet kokhalzen.

‘Ik heb hem, jongens. Grijp zijn kleren!’

Jacobus kronkelt, maar hij krijgt weer een klap in zijn gezicht en nog één en nog één, tot het zwart wordt voor zijn ogen.

 

Leesniveau: vanaf acht jaar

Illustraties: Walter Donker

Uitgeverij: Delubas

Verschijningsdatum: juli 2012